Het Hof van Justitie heeft vandaag uitspraak gedaan in hoger beroep in de zaak tussen Wendy Jap-A-Joe en de Raad van Commissarissen van de Telecommunicatie Autoriteit Suriname (TAS). Het Hof heeft bevestigd dat haar benoemingstermijn van vijf jaar is verstreken en dat daarvoor geen afzonderlijke ontslagresolutie nodig is. Ook moet Jap-A-Joe de proceskosten betalen.
Daarmee blijft het eerdere vonnis van de kortgedingrechter in stand. Die wees haar vorderingen af en beval haar het TAS-gebouw te verlaten en haar werkzaamheden over te dragen.
In de zaak stond het verschil tussen haar benoeming en de arbeidsovereenkomst centraal. Hoewel de benoemingsresolutie een termijn van vijf jaar vermeldt, was daarnaast een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten. Daarin was bepaald dat zij kon aanblijven totdat een opvolger was aangewezen, om een bestuursvacuüm te voorkomen.
Volgens het Hof kan Jap-A-Joe zich niet op die arbeidsovereenkomst beroepen om na afloop van haar benoemingstermijn directeur te blijven. Dat is in strijd met de Wet Telecommunicatievoorzieningen. Ook het standpunt dat eerst een ontslagresolutie nodig is, is verworpen. Haar directeurschap is door het verstrijken van de benoemingstermijn geëindigd. Een eventuele resolutie zou dat slechts schriftelijk bevestigen.
Verder is niet gebleken dat de Raad van Ministers goedkeuring had verleend voor het sluiten van de arbeidsovereenkomst of dat de minister de president-commissaris had gemachtigd om namens hem te tekenen. De minister is bevoegd om, na goedkeuring van de Raad van Ministers, een directeur aan te wijzen.
Ook kan Jap-A-Joe niet automatisch terugvallen op haar eerdere functie van onderdirecteur, van waaruit zij tot directeur werd benoemd.
Jap-A-Joe stelde in hoger beroep dat het verstrijken van haar benoemingstermijn niet automatisch haar arbeidsrechtelijke positie beëindigt. Volgens haar moeten de wettelijke benoeming en de arbeidsrechtelijke verhouding afzonderlijk worden beoordeeld. Ook voerde zij aan dat de Raad van Commissarissen en de verantwoordelijke minister de wettelijke procedures moesten naleven. Zij tekende daarom hoger beroep aan tegen het eerdere vonnis.
Bron: bewerkt uit Tra Fas’ De
