DNA-lid Ameerani Jarbandhan heeft kritiek op de voortzetting van de parlementaire werkzaamheden door Bronto Somohardjo, nadat hij volgens haar op grond van de Wet In Staat van Beschuldigingstelling (WIPA) automatisch is geschorst. Zij stelt dat de wet hierover duidelijk is: de schorsing gaat onmiddellijk in nadat DNA besluit een politieke ambtsdrager in staat van beschuldiging te stellen.
Jarbandhan verwijst naar artikel 11 lid 3 van de WIPA, waarin staat: “Onmiddellijk na het besluit van DNA om de politieke ambtsdrager in staat van beschuldiging te stellen, is hij van rechtswege geschorst.”
Volgens haar betekent dit dat Somohardjo vanaf het moment van het DNA-besluit automatisch is geschorst, zonder dat daarvoor een aanvullend besluit of een nieuwe stemming nodig is. DNA-leden vallen volgens haar eveneens onder de categorie politieke ambtsdragers. Dat Somohardjo geen minister meer is, verandert volgens haar niets aan de toepassing van de schorsingsregel.
Jarbandhan maakt onderscheid tussen schorsing en beëindiging van het DNA-lidmaatschap. Zij wijst erop dat artikel 68 van de Grondwet betrekking heeft op de beëindiging van het lidmaatschap. Bij beëindiging verliest iemand zijn DNA-lidmaatschap, terwijl een geschorst lid lid blijft, maar zijn werkzaamheden niet mag uitvoeren.
Volgens Jarbandhan had DNA-voorzitter Ashwin Adhin Somohardjo daarom niet mogen laten deelnemen aan vergaderingen en stemmingen of hem toegang tot de vergaderingen mogen verlenen. Zij stelt dat DNA-besluiten waaraan Somohardjo sinds zijn schorsing heeft deelgenomen juridisch zijn aangetast en mogelijk aanvechtbaar zijn.
Ter onderbouwing verwijst zij naar een eerdere uitspraak van het Hof van Justitie, waarin is geoordeeld: “Het besluit van DNA om iemand in staat van beschuldiging te stellen is een parlementair besluit met juridische gevolgen.”
Naast de kwestie rond Somohardjo brengt Jarbandhan het uitblijven van een reactie van de President op een brief van haar onder de aandacht. Zij stelt dat zij op 13 augustus 2026 een officiële brief aan het staatshoofd heeft gestuurd, maar tot op heden geen antwoord heeft ontvangen. Volgens haar raakt dit aan de verantwoordingsplicht van de President tegenover het parlement en de werking van de democratische rechtsstaat.
Jarbandhan noemt het tegenstrijdig dat Somohardjo volgens haar ondanks zijn automatische schorsing aan parlementaire werkzaamheden blijft deelnemen, terwijl een parlementariër die de President controleert geen antwoord krijgt op een officiële brief. Zij noemt dit een ernstige disbalans en stelt dat het niet naleven van wettelijke regels rond schorsing en het uitblijven van reacties op parlementaire correspondentie het vertrouwen in de rechtsstaat kunnen ondermijnen.
