De economische bedrijvigheid in Suriname is in het eerste kwartaal van 2026 verder aangetrokken. Dat stelt het Suriname Economic Oversight Board (SEOB) in zijn 29e SEOB-bulletin over de recente economische ontwikkelingen in Suriname.
Volgens het bulletin versnelde de groei van de Monthly Economic Activity Index (MEAI) van 5,6% in januari naar 6,3% in maart. Daarmee zet het economisch herstel verder door, al blijft het beeld per sector gemengd. Vooral watervoorziening en sanering, groot- en kleinhandel, accommodatie- en voedingsdiensten, de overheid en enkele dienstensectoren presteerden relatief sterk, terwijl transport en opslag, mijnbouw en delen van de productiegerichte bedrijvigheid achterbleven.
De jaar-op-jaar inflatie liep in april licht op naar 10,9%, tegenover 10,8% in maart. Ook de maandinflatie nam toe tot 0,8%. Volgens het SEOB bevestigt dit dat Suriname sinds juli 2025 opnieuw te maken heeft met tweecijferige inflatie. Hierdoor neemt de druk op de koopkracht toe en blijft consistent monetair en fiscaal beleid noodzakelijk.
De Surinaamse dollar bleef de afgelopen maanden relatief stabiel ten opzichte van de Amerikaanse dollar en de euro. Volgens het bulletin blijft de wisselkoers echter gevoelig voor externe factoren, internationale valutadynamiek en binnenlandse macro-economische ontwikkelingen.
De monetaire ontwikkelingen lieten een wisselend beeld zien. De SRD-component van de basisgeldhoeveelheid (M0) steeg in maart, maar daalde in april licht. Tegelijkertijd bleef het SRD-aandeel van de liquiditeitenmassa (M2) groeien, mede door een toename van de kredietverlening aan onder meer woningbouw en de overheid. Het SEOB benadrukt dat de ontwikkeling van geldgroei en kredietverlening, gezien de aanhoudend verhoogde inflatie, nauwlettend gevolgd moet worden.
De internationale reserves bleven in de eerste maanden van 2026 op een relatief hoog niveau. Na een stijging tot USD 1,92 miljard in maart daalden de reserves in april licht naar USD 1,88 miljard. Ook de importdekking nam iets af, maar bleef met 7,7 maanden ruim boven de internationaal gangbare norm van drie maanden. Volgens het SEOB blijft een sterke reservepositie belangrijk om externe schokken op te vangen, de wisselkoers te ondersteunen en het vertrouwen in het macro-economisch beleid te behouden.

