De Britse krant Financial Times heeft een documentaire uitgebracht over de opkomende offshore-oliesector van Suriname. In de documentaire wordt Suriname omschreven als een van de nieuwste grensgebieden van de internationale olie-industrie, waarbij zowel de kansen als de risico’s van de verwachte oliehausse worden belicht.
De ruim dertig minuten durende film richt zich op het offshoreproject GranMorgu ter waarde van US$10,5 miljard. Het project wordt ontwikkeld door TotalEnergies, APA Corporation en Staatsolie Maatschappij Suriname N.V. en geldt als het eerste grote offshore-olieproject van Suriname. De productie moet naar verwachting in 2028 van start gaan.
In de documentaire worden de Surinaamse offshore-ambities geplaatst binnen de context van de groeiende wereldwijde vraag naar alternatieve oliebronnen als gevolg van geopolitieke spanningen. Energieanalist Amrita Sen stelt dat Latijns-Amerika strategisch steeds belangrijker wordt binnen de portefeuille van internationale oliebedrijven, mede door verstoringen die verband houden met conflicten rond Rusland en Iran.
Minister van Olie, Gas en Milieu Patrick Brunings omschrijft de offshore-vondsten als een unieke kans voor Suriname om zich op een duurzame manier te ontwikkelen. Daarbij benadrukt hij volgens de documentaire het belang van diversificatie en langetermijnplanning en stelt hij dat er nu gehandeld moet worden.
Ook directeur Annand Jagesar van Staatsolie komt in de documentaire aan het woord. Hij wijst op de omvang van de verwachte economische impact van het project en merkt op dat het bruto binnenlands product van Suriname ongeveer US$4,7 miljard bedraagt, terwijl de inkomsten uit het GranMorgu-project in piekjaren tussen de US$2 en US$3 miljard kunnen liggen. Volgens hem gaat het om een enorm project in verhouding tot de schaal van het land.
Daarnaast besteedt de documentaire aandacht aan milieukwesties die samenhangen met offshore-ontwikkeling. Milieuactivist Monique Pool stelt dat de kustecosystemen van Suriname tot nu toe relatief onaangetast zijn gebleven en waarschuwt dat toenemende industriële activiteiten gevolgen kunnen hebben voor wilde dieren en mariene habitats.
Tegelijkertijd stellen verschillende geïnterviewden dat toekomstige olie-inkomsten kunnen bijdragen aan economische ontwikkeling en de bescherming van het regenwoud. Primatoloog Russ Mittermeier zegt dat de Surinaamse bossen tot de meest intacte ter wereld behoren en dat olie-inkomsten het land kunnen helpen om destructievere sectoren, zoals grootschalige ontbossing of goudwinning, te vermijden.
Volgens hem is het van essentieel belang dat de internationale gemeenschap het belang van deze bossen erkent en helpt deze in stand te houden, omdat dit niet alleen goed is voor Suriname maar voor de hele wereld. Met de verwachte olie-inkomsten zou Suriname, mits het land de juiste keuzes maakt, kunnen voorkomen dat bossen gekapt moeten worden en mogelijk zelfs het hoogste inkomen per hoofd van de bevolking ter wereld kunnen bereiken.
De documentaire sluit af met de constatering dat Suriname zich op een cruciaal moment bevindt, waarbij verwachtingen van economische transformatie in balans moeten worden gebracht met zorgvuldig beheer van toekomstige olie-inkomsten en aandacht voor milieukwesties.
