In verband met de herdenking van 25 februari 1980 sprak Chronos TV met luitenant-kolonel buiten dienst Laurence Eduard Neede, die destijds betrokken was bij de gebeurtenissen. Hij blikte terug op wat hij omschreef als een bijzondere dag en stond stil bij de machtsovername van 25 februari 1980, evenals bij de verdiensten en de betekenis van de revolutie.
Volgens hem zijn alleen in de revolutionaire periode en na 1987, met de NDP die uit de revolutie is voortgekomen, zichtbare en bruikbare prestaties geleverd voor land en volk die niet te evenaren zijn en door geen enkele andere regering zijn bewerkstelligd. Hij benadrukte dat deze periode concrete resultaten heeft opgeleverd die nog altijd merkbaar zijn.
Als voorbeelden noemde hij onder meer Staatsolie NV, een bedrijf waarop volgens hem 70 tot 80 procent van de Surinaamse economie draait. Ook verwees hij naar grote infrastructurele projecten, zoals de Jules Wijdenboschbrug en de brug over de Coppenamerivier, evenals bruggen in Nickerie, in het binnenland en in diverse districten. Daarnaast haalde hij de volkswoningbouwprojecten aan als tastbare resultaten van het gevoerde beleid.
Verder gaf hij aan dat het Staatsziekenfonds voortkwam uit de gedachte dat iedere burger van Suriname verzekerd moet zijn. Hij wees er ook op dat vrouwen voorheen geen tekeningsbevoegdheid hadden en dat via een decreet de handelingsonbekwaamheid van de vrouw werd opgeheven, waardoor vrouwen zelfstandig juridische handelingen konden verrichten, onafhankelijk van hun partner. Dat noemde hij sleutelmomenten in het revolutionaire proces.
Tegelijkertijd stelde hij dat een van de grootste bruggen die gebouwd werd, maar niet is afgemaakt, de verbinding met het Surinaamse volk is. Volgens hem kan een handjevol militairen geen revolutie maken. Een revolutie wordt gemaakt door het volk, door het grootste deel van de bevolking. Zodra een kleine groep militairen de macht grijpt en die wil behouden zonder brede steun, zal zo’n revolutie falen.
Hij erkende dat de militairen ups en downs hebben gekend. In de beginperiode, vóór de gebeurtenissen van 1982, stond volgens hem het grootste deel van het volk achter de militairen en begreep men de revolutionaire gedachten. De verdeling van de welvaart was naar zijn zeggen te eenzijdig, waarbij de rijken steeds rijker werden en de armen steeds armer. De militairen hebben getracht die verhouding in positieve zin te wijzigen, maar dat is volgens hem niet volledig gelukt.
Tot slot riep hij op om te blijven streven naar het dekolonisatieproces, naar bewustwording van het volk als geheel en naar het dichter naar elkaar toegroeien van de bevolking, in het bijzonder van de twee grootste bevolkingsgroepen. Hij waarschuwde ervoor dat individuen of leiders, ongeacht hun etniciteit, het volk niet mogen verdelen. Daarbij zei hij: “Wij zijn ongeacht vanwaar wij zijn gekomen, één volk, broeders en zusters van elkaar.” Volgens hem moet dat diep tot de samenleving doordringen. Hij herinnerde eraan dat sinds de slavernij verdeel- en heerspolitiek als wapen tegen het volk is gebruikt.
