De Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname heeft op 16 februari 2026 een richtlijn vastgesteld die duidelijkheid geeft over de wijze waarop het Openbaar Ministerie (OM) omgaat met publieke functionarissen die niet tijdig hun Verplichte Verklaring van Inkomen en Vermogen (VIV) hebben ingediend. Deze richtlijn is bedoeld voor de eerste invoeringsfase van de VIV en geldt voor een periode van zes maanden, tot 15 augustus 2026.
Doel en juridische basis
De richtlijn heeft tot doel een gestructureerde aanpak te bieden voor situaties waarin publieke functionarissen hun verplichting tot het indienen van de VIV niet nakomen, zoals bepaald in:
- Artikel 9, leden 1 en 4, en artikel 10 van de Anti-Corruptiewet (S.G. 2017 no. 85);
- Het Staatsbesluit van 5 september 2023 (S.B. 2023 no. 127).
Het niet naleven van deze verplichtingen is strafbaar gesteld in artikel 17, lid 1, van de Anti-Corruptiewet. De richtlijn verandert noch de wettelijke verplichtingen, noch de termijn voor indiening. Het biedt het OM een beleidsmatige invulling van het opportuniteitsbeginsel, waarmee zelfstandig kan worden bepaald of en hoe tot verdere behandeling van een zaak wordt overgegaan.
Uitgangspunten van het Openbaar Ministerie
Bij de beoordeling van mogelijke overtredingen hanteert het OM de volgende principes:
- Zorgvuldigheid en proportionaliteit;
- Rechtszekerheid;
- Gefaseerde invoering zoals door de wetgever beoogd;
- Bevordering van vrijwillige naleving boven onmiddellijke strafvervolging.
Hersteltermijn van zes maanden
Publieke functionarissen die de VIV niet tijdig indienen krijgen een beleidsmatige hersteltermijn van zes maanden om alsnog aan hun verplichting te voldoen. Deze termijn geldt uitsluitend voor de beoordeling door het OM en laat de wettelijke verplichting onverlet.
De hersteltermijn wordt toegepast indien:
- Er geen sprake is van opzettelijke weigering, misleiding of fraude;
- De functionaris bereid is alsnog te voldoen;
- Het gaat om de eerste indiening in het kader van de VIV.
Gefaseerde werkwijze van het OM
De richtlijn hanteert een drieledige aanpak:
Fase 1 – Waarschuwing:
Na melding door de Anti-Corruptie Commissie ontvangt de functionaris een formele waarschuwing met informatie over de wettelijke verplichting, de strafbaarstelling en de mogelijkheid tot herstel binnen zes maanden.
Fase 2 – Monitoring:
Tijdens de herstelperiode monitort de Anti-Corruptie Commissie of aan de verplichting wordt voldaan. De zaak wordt door het OM aangehouden en geregistreerd.
Fase 3 – Verdere behandeling:
Indien na afloop van de herstelperiode nog geen indiening heeft plaatsgevonden, beoordeelt het OM de zaak inhoudelijk en beslist over vervolging, sepot of voorwaardelijk sepot.
Uitzonderingen
De richtlijn is niet van toepassing in gevallen van:
- Expliciete weigering om te voldoen;
- Bewust frustreren van toezicht;
- Herhaald negeren van waarschuwingen;
- Misleiding of vervalsing.
In dergelijke situaties kan het OM direct overgaan tot verdere behandeling van de zaak.
Evaluatie en geldigheidsduur
De richtlijn wordt uiterlijk zes maanden na afloop van de eerste indieningstermijn geëvalueerd op basis van nalevingspercentages, bevindingen van de Anti-Corruptie Commissie, ervaringen van notarissen en maatschappelijke effecten.
De richtlijn treedt in werking op 16 februari 2026 en geldt tot 15 augustus 2026, behoudens eerdere wijziging of intrekking op grond van zwaarwegende redenen.
Zie persbericht via de onderstaande link.
