Op donderdag 18 december 2025 hebben het Hof van Justitie en het Openbaar Ministerie hun inzichten gedeeld over drie ingediende initiatiefwetten met de Commissie van Rapporteurs (CvR) en de initiatiefnemers van de Nationale Assemblee. Tijdens het overleg zijn de juridische, institutionele en constitutionele gevolgen van de voorstellen uitgebreid besproken. Aansluitend heeft het Openbaar Ministerie een persbericht uitgebracht over de bevindingen:
Commentaar namens het Openbaar Ministerie op:
1) Het initiatiefvoorstel houdende nadere wijziging van de Grondwet van de Republiek Suriname (S.B. 1987 no. 116, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2023 no. 157) (Instelling van een cassatierechtspraak, alsmede in dat kader de herstructurering van de Rechterlijke Macht).
Naar aanleiding van het hierboven vermelde initiatiefvoorstel wenst het Openbaar Ministerie (OM) het volgende onder uw aandacht te brengen.
In het initiatiefvoorstel is opgenomen dat artikel 133 van de Grondwet wordt gewijzigd. In lid 1 komt onder meer te staan dat de Rechterlijke Macht wordt gevormd door de Hoge Raad, de President en de Vicepresident van het Hof van Justitie, de leden en leden-plaatsvervangers van het Hof van Justitie, de leden van het College van Procureurs-Generaal en de overige leden van het Openbaar Ministerie, en ook andere rechterlijke ambtenaren die de wet aanwijst.
Alvorens in te gaan op deze wijziging, acht het Openbaar Ministerie het van belang kort stil te staan bij de rechtshistorische ontwikkeling van het Surinaamse Openbaar Ministerie.
Het Surinaamse Openbaar Ministerie vindt zijn oorsprong in de Nederlandse koloniale rechtsstructuur. In de koloniale periode was Suriname een Nederlandse kolonie en werd het rechtssysteem grotendeels ingericht naar Nederlands model. De strafrechtspleging stond onder gezag van de koloniale overheid en de vertegenwoordiger van de Kroon (de Gouverneur).
In deze periode bestond geen zelfstandig Openbaar Ministerie zoals wij dat nu kennen. De vervolging van strafbare feiten werd uitgevoerd door functionarissen die rechtstreeks onder het koloniaal bestuur vielen en primair het belang van de koloniale staat dienden.
Met de verdere ontwikkeling van de rechtsstaat en de invoering van moderne wetgeving, waaronder het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht, werd ook in Suriname vormgegeven aan het Openbaar Ministerie als een afzonderlijk en onafhankelijk orgaan binnen de rechterlijke macht.
Het Openbaar Ministerie kreeg daarbij de volgende kerntaken:
handhaving van de strafwet;
vervolging van strafbare feiten;
toezicht op de opsporing;
tenuitvoerlegging van strafvonnissen.
Deze taken sluiten aan bij de klassieke taakopvatting van het Openbaar Ministerie binnen het continentaal-Europese rechtssysteem.
Na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 is het bestaande rechtssysteem grotendeels intact gebleven. Dit gold ook voor het Openbaar Ministerie. De wetgever heeft bewust gekozen voor rechtscontinuïteit, ter waarborging van rechtszekerheid en stabiliteit
De Surinaamse grondwetgever in 1975 heeft daarbij uitdrukkelijk een andere keuze gemaakt dan in Nederland ten aanzien van de positie van de Procureur-Generaal. De Procureur-Generaal wordt voor het leven benoemd, is niet ondergeschikt aan een minister en is belast met het vervolgingsmonopolie. Deze constitutionele positie vormt een hoeksteen voor de onafhankelijke uitoefening van het vervolgingsmonopolie.
Het Surinaamse Openbaar Ministerie is daarmee gepositioneerd als:
een ondeelbaar en hiërarchisch georganiseerd orgaan;
onder leiding van één Procureur-Generaal;
functionerend binnen de rechterlijke macht, maar met een eigenstandige rol.
De Procureur-Generaal is sindsdien belast met de leiding over het Openbaar Ministerie en met de uitvoering van het vervolgingsbeleid.
Hoewel het Surinaamse Openbaar Ministerie overeenkomsten vertoont met het klassieke Nederlandse model, kent het duidelijke eigen accenten:
er is geen College van Procureurs-Generaal, maar één Procureur-Generaal aan het hoofd;
er is sprake van een sterk hiërarchische structuur;
het OM is nauw verbonden met de Surinaamse staatsinrichting en constitutionele verhoudingen;
de inrichting is verankerd in de Surinaamse wetgeving en rechtstraditie.
Deze inrichting sluit volledig aan bij de bestuurlijke context en rechtspraktijk van Suriname.
Het huidige Openbaar Ministerie is historisch gegroeid vanuit het koloniale rechtssysteem, maar heeft zich ontwikkeld tot een nationaal en zelfstandig instituut binnen de Surinaamse rechtsstaat. De gekozen continuïteit heeft bijgedragen aan stabiliteit, terwijl de huidige structuur bewust is afgestemd op de Surinaamse context.
Het Openbaar Ministerie vervult daarmee een centrale rol in de handhaving van de rechtsorde, de bescherming van de samenleving en de waarborging van de rechtsstaat.
In dit verband wordt erop gewezen dat een kernbeginsel van de democratische rechtsstaat de trias politica is, waarbij de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht van elkaar zijn gescheiden. Het Openbaar Ministerie vervult binnen deze structuur een bijzondere en zelfstandige rol. Het is belast met de strafvervolging en verantwoordelijk voor de opsporing, en dient deze taken uit te oefenen zonder ongeoorloofde inmenging.
Het Nederlandse rechtssysteem
In het Nederlandse rechtssysteem is het College van Procureurs-Generaal ingesteld, onder meer vanwege:
· de grote bevolkingsomvang (thans circa 17,9 miljoen inwoners);
· de grote schaal en complexiteit van het Nederlandse Openbaar Ministerie:
Nederland kent tien (10) (regionale) Arrondissementsparketten, een Landelijk Parket, het Functioneel Parket en het Parket-Generaal, in totaal circa dertien parketeenheden.
· Het College van Procureurs-Generaal is verantwoordelijk voor vier (4) gerechtshoven en elf (11) rechtbanken, met in totaal 53 kantonvestigingen.
· Het zorgen voor rechtséénheid en consistentie in de strafvervolging en ook de aansturing, gelet op de vele Parketten.
Wat ook van belang is, is dat het College van Procureurs-Generaal in Nederland niet is verbonden aan de Hoge Raad. Er is één Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, die geen deel uitmaakt van het College
De Surinaamse situatie
In tegenstelling tot Nederland oefent het Surinaamse Openbaar Ministerie zijn taken en bevoegdheden uit:
– over een bevolking van ongeveer 600.000 inwoners, waarbij
– de Procureur- Generaal de leiding heeft over één Parket.
– de Procureur- Generaal verantwoordelijk is voor 2 (twee) Kantongerechten.
– de Procureur- Generaal is bij 1 (een) Hof van Justitie.
Het Nederlandse model is dus niet automatisch overdraagbaar op Suriname. De Surinaamse constitutionele inrichting en rechtsorde verschillen wezenlijk, mede gelet op de schaal en bevolkingsomvang.
Om deze redenen is het juridisch verdedigbaar en zelfs wenselijk dat er geen College van Procureurs-Generaal bestaat en dat de vervolgingsbevoegdheid rechtstreeks en zelfstandig wordt uitgeoefend binnen de grenzen van de wet.
In de memorie van toelichting bij het initiatiefvoorstel is onvoldoende gemotiveerd waarom de instelling van een College van Procureurs-Generaal noodzakelijk zou zijn en welk concreet probleem hiermee wordt opgelost.
De vraag rijst bovendien of met de instelling van een College van Procureurs-Generaal de lange duur van strafzaken daadwerkelijk zal worden verkort. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord en wel om onder meer de volgende redenen:
het Openbaar Ministerie na de afroep van de strafzaak ter terechtzitting niet meer verantwoordelijk is voor de duur van de behandeling; Het verantwoordelijk stellen van het Openbaar Ministerie voor vertragingen/lange duur van strafzaken op de zitting is dan ook juridisch onjuist.
Het capaciteitsprobleem, gebrek aan specialistische deskundigheid en tekort aan essentiële middelen bij de politie een belangrijke rol spelen.
Gelet op het voorgaande concludeert het Openbaar Ministerie dat de instelling van een College van Procureurs-Generaal in Suriname juridisch, constitutioneel en institutioneel niet is gerechtvaardigd. Het Nederlandse model is het resultaat van een specifieke staatsstructuur en bestuurscultuur en kan niet één op één worden overgenomen. Een College van Procureurs-Generaal is binnen het Surinaamse rechtsstelsel, gelet op de historische ontwikkeling, institutionele opzet en praktische behoeften, niet noodzakelijk en niet passend binnen de bestaande rechtsorde.
Tot slot benadrukt het Openbaar Ministerie dat het voorstander is van een snelle en adequate strafrechtspleging, die gepaard gaat met de versterking van instituten. Deze versterking kan plaatsvinden binnen het bestaande Openbaar Ministerie, zoals voorzien in de concept Wet Openbaar Ministerie, waarin onder meer is opgenomen:
de verruiming van het aantal Advocaten-Generaal van twee naar vier;
de mogelijkheid tot benoeming van meerdere Hoofdofficieren van Justitie; geen beperking dus.
Hiermee wordt een significante versterking gerealiseerd van het Openbaar Ministerie als onafhankelijk instituut binnen de Surinaamse rechtsorde.
2) Het initiatiefvoorstel houdende nadere wijziging van de Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht (S.B. 2024 no. 158).
In dit initiatiefvoorstel is onder meer aangegeven dat de pensioenleeftijd van de Procureur-Generaal wordt vastgesteld op 65 (vijfenzestig) jaar.
Het Openbaar Ministerie stelt vast dat in de Surinaamse rechtshistorie het de Procureur-Generaal steeds bij het Hof van Justitie is. Tegen deze achtergrond acht het Openbaar Ministerie het gerechtvaardigd dat voor de Procureur-Generaal dezelfde pensioenleeftijd geldt als voor de President en de leden van het Hof van Justitie.
Voor de President en de leden van het Hof van Justitie geldt thans een pensioenleeftijd van 70 (zeventig) jaar. Nu de Procureur-Generaal eveneens voor het leven wordt benoemd en een constitutioneel verankerde functie vervult binnen het Hof van Justitie, ligt het in de rede dat ook voor de Procureur-Generaal een pensioenleeftijd van 70 jaar wordt gehanteerd.
Vermeldenswaard is voorts dat in de memorie van toelichting bij het initiatiefvoorstel houdende nadere wijziging van het Reglement op de Inrichting en Samenstelling van de Rechterlijke Macht (G.B. 1935 no. 79, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2009 no. 33), is opgenomen dat zowel leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast (de zittende magistratuur) als de Procureur-Generaal personen betreffen die functioneren binnen de organisatie van het Hof van Justitie, hetzij als rechter, hetzij als Procureur-Generaal.
Tot slot wenst het Openbaar Ministerie met betrekking tot dit initiatiefvoorstel aan te geven, dat indien de pensioenleeftijd van de leden van het Hof van Justitie wordt gebracht naar 65 jaar, het logisch is dat voor de Procureur- Generaal ook deze pensioenleeftijd zal gelden.
3) Het initiatiefvoorstel houdende nadere wijziging van het Reglement op de Inrichting en Samenstelling van de Rechterlijke Macht (G.B. 1935 no. 79, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2009 no. 33.).
Dit initiatiefvoorstel betreft een termijnbepaling van 30 (dertig) voor het Hof van Justitie, voor het uitbrengen van een advies zoals bedoeld in artikel 141 van de Grondwet.
Het Openbaar Ministerie heeft met dit voorstel geen bezwaar.
Tot slot wenst het Openbaar Ministerie aan te geven, dat haar reactie op de initiatiefvoorstellen gestoeld is op een verantwoorde staats- en bestuursrechtelijke instelling, niet alleen voor de huidige rechtsorde maar ook voor de toekomst, waarbij de huidige bemensing van het Openbaar Ministerie niet de drijfveer is en nimmer kan en/of vermag te zijn.
Unit Public Relations Openbaar Ministerie Suriname
